Als een wisi! Ik zou en moest het ervaren: reizen door Latijns Amerika in 2017. Ik besefte toen pas wat mij dwars zat en wilde er goed naar kijken. Een opgave? Ik weet het niet. Mocht het een opdracht zijn geweest, a ben hebi man… Ik koos ervoor een masker te maken. Nu ik weer naar dit zwartbruine en van klei gemaakte object kijk, ervaar ik alles opnieuw. Er gebeurde veel in mijn geest toentertijd. Het ontstond op een boerderij waar ik deel van een groep was,  helemaal in Ucayali, een plaats in Peru. Ik vertrok uit Suriname om deel te nemen aan Artist In Residency bij Centro Selva, te backpacken, en Ayahuasca te drinken – een soort rituele drank van Inheemsen.

Het masker en wat het vertegenwoordigt is loodzwaar. Het maken ervan is een metafoor voor het herijken van mijn ego. Een absurd en schedelachtig klei gestalte, bewerkt met natuurpigmenten. Als ik erop klop, klinkt het hol. Het is strak en bij ovaal, heeft een gezicht met veel diepte, en er zitten twee gaten in: een kleine en een grote. Die gaten stellen ogen voor. Omdat het van klei is gemaakt, schiet de aardbruine tint eruit, behalve die zwarte en grijze kleur. Mijn vingertoppen vertellen me dat het op sommige plaatsen grof is, en op andere plaatsen juist een beetje gaaf. Wanneer ik mijn tong naar mijn vingers breng, nadat ik het masker weer in mijn handen heb gehad, schuren fijne korrels in mijn mond. Daar moet ik zelf even aan wennen. Zodra ik achter het masker duik, komt een wasem van zacht hout me tegemoet. Het valt mij op: ‘Ik ruik die koeienpoep niet die ik in de klei heb verwerkt.’ Langzaamaan raak ik verliefd erop. Als ik het aanraak, worden mijn handen zwart. ‘Vieze handen’, zeggen mijn gedachten. Om mijn denken te onderbreken, herhaal ik luidop: ‘Zwarte handen. Wat! Die kleur is toch niet vies?’ Ik aarzel een beetje. ‘Jongen, wat heb je te verbergen? Wat dan…?’ Het is mijn ego. Ik zie nog dat ik dringend weg wilde van die Peruaanse boerderij. Niet goed genoeg dacht ik. Die plek voor het exposeren? Het is een smerige plek ook: ik wil niet dat mijn werk hier staat.  Zo gaat het een paar keer nog door mijn hoofd. Een teleurstelling in mezelf, want zo wil ik helemaal niet denken.

Ik ging met mijn ego op reis, overtuigd dat ik dat nodig had. Er kwam grote druk en ik raakte teleurgesteld: mijn ego volgde zijn eigen pad. Of bracht mijn gevoel me ergens dieper? ik bent van mijn woonplaats vertrokken om kunst te gaan maken met vreemde mensen. Centro Selva kondigde me aan als een geweldige kunstenaar, die een geweldig monument ging maken. Op het moment dat ik aankwam, nauwelijks mijn spullen had opgeslagen, werd ik al onder druk gezet. Collega-kunstenaars begonnen hun bewondering voor het werk dat nog niet eens bestond uit te spreken. Dit bracht me angst. Al die mensen hun verwachtingen; een schepje boven op mijn eigen innerlijke strijd. ‘Zie je het weer voor je? Hoe je stilletjes weg wilde kruipen…’ Van mezelf moest ik braaf zijn, want ik had er heel veel tijd, energie en geld in het project gestopt. Bovendien, velen hadden die reis ondersteund. Ik was zo bang dat ik niet aan de verwachtingen van anderen zou voldoen. Dus kwam ik van binnen in opstand. Mijn egofrustratie! En ik begon aan het verbergen van echte mijn gevoelens in dat masker.

Indrukken op de boerderij en collega-kunstenaars in Pucallpa, Peru.

Het zelfde masker kijkt me nu uitdagend aan. Het confronteert me nog steeds. Alsof ik iets heb gedaan; of juist iets niet durft. Er komen nieuwe associaties bij me op. Bijvoorbeeld die van “Quota Halloween Cook Out”. Daar ga ik met een vriendin naar toe straks. Wil ik wel gaan, of is het alleen maar omdat ik een ander een genoegen wil doen? Dat Quotading brengt me terug naar Peru. Ik moest mezelf steeds afvragen: ‘Wat als het niet lukt?’ Het lastige was toen: om iets samen te doen met anderen. In mijn hoofd riep ik: ‘Ma san skopu mi?‘ Nu merk ik dat een beslissing nemen mij een gevangen gevoel geeft. Zou het weer mijn ego zijn, dat om aandacht vraagt? Of is het toch iets dat dieper begraven in mij ligt? In Peru, toen ik bijna knettergek werd, wilde ik helemaal niets van mijn eigen frustratie laten merken. En toch werd het gezien. Nu brand ik van binnen door allerlei vragen en overtuigingen, die ik eigenlijk probeer weg te drukken. Wat als die hele “Halloween Cook Out” niets voor mij is? Dan ga ik zomaar uit huis. Ik wil niet eens die mensen ontmoeten. Is toch geen evenement dat mij helpt om me nog zwarter te voelen? Ik weet zelf wat ik vaak aan mezelf vraag: ‘ben je wel zwart genoeg jongen?’ Dus vrees ik een beetje dat die cookout voor mij niet echt iets is. Die hele naam klinkt zo wit. Worstelt ik nog met wie ik bent: zwart en niet vies?

Mijn huidskleur maakt me niet per definitie een slachtoffer. Kort nadat ik terug in Suriname aankwam viel het muntje: ‘Je ego is echt niet wie jij bent’. In Peru worstelde ik; bang dat ik naar huis zou komen, zonder dat ik het kunstwerk “Aisa Aya” had gemaakt. Mijn ego vond rust bij het maken van het masker. Ik gaf me eraan over en het lukte om me open te stellen en te leren van Centro Selva. Een “Aisa Aya” staat ergens in Peru; wel een beetje anders dan het oorspronkelijk idee. Net als de mensen die eraan werkte, ben ik er erg trots op geworden nu. Zo ook word het masker  -dat in mijn kamer precies boven mijn bed hangt – langzaam mijn trots om zo zwart mogelijk te zijn.